|
Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker Geachte
minister, Graag
bied ik u hierbij het advies Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker aan.
In dit advies heeft een speciaal ingestelde commissie vastgesteld of vaccinatie
tegen humaan papillomavirus (HPV), het virus dat baarmoederhalskanker
veroorzaakt, in aanmerking komt voor opname in het Rijksvaccinatieprogramma
(RVP). Als leidraad bij de beantwoording van de adviesaanvraag
zijn de zeven criteria gebruikt die de raad in 2007 ontwikkelde bij de
advisering over de toekomst van het RVP. (niet waar, want vijf
van de zeven criteria zijn overtreden en gisteren zei mevrouw Conijn van het
RIVM dat die zeven criteria voor dit speciale vaccin aan de KANT waren gezet! zie dok) De commissie
heeft voor het bepalen van de doelmatigheid van vaccinatie tegen HPV gebruik
kunnen maken van twee modellen van kosteneffectiviteitsanalyse. Het ene model
is in opdracht van uw ministerie ontwikkeld door onderzoekers van de Vrije
Universiteit te Amsterdam in samenwerking met het RIVM, het andere door het
Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. De
commissie adviseert vaccinatie tegen HPV in het RVP te introduceren voor
meisjes in de leeftijd van twaalf jaar. Voor meisjes van dertien tot en met zestien
jaar oud adviseert de commissie een inhaalprogramma. De commissie geeft in overweging het College voor zorgverzekeringen te
laten beoordelen in (die er tegen waren zie dok.) hoeverre vaccinatie
van meisjes en vrouwen van zeventien jaar en ouder in aanmerking komt voor
vergoeding via het Geneesmiddelenvergoedingssysteem. Gezien het feit dat nog veel kennis rond de vaccinatie
ontbreekt en het nog lange tijd zal duren voordat er aan die onduidelijkheid
een einde komt, (!!!!!!)ziet de commissie een
monitoringsprogramma als onlosmakelijke voorwaarde voor introductie van de
vaccinatie. In
dat programma zou aandacht moeten zijn voor effectiviteit
van de vaccinatie, duur van de bescherming, eventuele bijwerkingen, acceptatie
en relevante gedragsfactoren. ??? effectiviteit? Die stond toch vast,
anders ga je het toch niet doen? Ik
ben het met het advies van de commissie eens. Prof.
dr. J.A. Knotnerus Nou, IK dus niet! Gezondheidsraad Voorzi t t er He a l t h C o u n c i l o f t h e N e t h e r l a n d s Aan de
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport B e z o e k a d r e s P o s t a d r e s P a r n a s s u s p l e i n 5 2 5 11 V X D e n H a a g 2 5 0 0 B B D e n H a a g Te l e f o o n ( 0 7 0 )
3 4 0 5 6 8 8 Te l e f a x ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 5 2 3 E-m a i l : k . g r o e n
e v e l d@g r. n l www. g r . n l Onderwerp :
aanbieding advies Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker Uw kenmerk :
PG/ZP-2.746.254 Ons kenmerk :
I-191/AK/KG/cn/831-E Bijlagen : 1 Datum : 31
maart 2008 Geachte
minister, Graag bied ik
u hierbij het advies Vaccinatie tegen baarmoederhalskanker aan. In dit
advies heeft een
speciaal ingestelde commissie vastgesteld of vaccinatie tegen humaan
papillomavirus (HPV), het
virus dat baarmoederhalskanker veroorzaakt, in aanmerking komt voor opname in het
Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Als leidraad bij de beantwoording van de
adviesaanvraag zijn de zeven criteria gebruikt die de raad in 2007 ontwikkelde bij de advisering
over de toekomst van het RVP. De commissie heeft voor
het bepalen van de doelmatigheid van vaccinatie tegen HPV gebruik kunnen maken van
twee modellen van kosteneffectiviteitsanalyse. Het ene model is in opdracht van uw
ministerie ontwikkeld door onderzoekers van de Vrije Universiteit te Amsterdam
in samenwerking
met het RIVM, het andere door het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. De commissie
adviseert vaccinatie tegen HPV in het RVP te introduceren voor meisjes in de
leeftijd van twaalf jaar. Voor meisjes van dertien tot en met zestien jaar oud
adviseert de commissie
een inhaalprogramma. De
commissie geeft in overweging het College voor zorgverzekeringen te laten beoordelen in hoeverre
vaccinatie van meisjes en vrouwen van zeventien
jaar en ouder in aanmerking komt voor vergoeding via het
Geneesmiddelenvergoedingssysteem. Gezien het feit dat nog veel kennis rond de
vaccinatie ontbreekt en het nog lange tijd zal duren voordat er aan die onduidelijkheid
een einde komt, ziet de commissie een
monitoringsprogramma als onlosmakelijke voorwaarde voor introductie van de
vaccinatie. In dat
programma zou aandacht moeten zijn voor effectiviteit van de vaccinatie, duur van de bescherming, eventuele bijwerkingen,
acceptatie en relevante gedragsfactoren. Ik ben het met het advies van de commissie eens. Prof.
dr. J.A. Knotnerus |